Leer elk kind lezen

Codeerpatronen



Patronen herkennen gaat vaak in een oogopslag. Daarom leren we spellingsalternatieven in codeerpatronen?

Patronen herkennen gaat vaak in een oogopslag. Wie spellingsalternatieven als codeerpatronen ziet, leert ze zonder al te veel moeite.

Op een goede dag moeten kinderen leren dat je de meeste klanken niet altijd met basiskoppelingen schrijft. En dus moeten ze ook die andere schrijfwijzen leren. Om te beginnen daar zijn er veel meer van dan de meeste methodemakers de kinderen leren. Zo is de klank /ou/ niet alleen maar een kwestie van ou of au, maar ook van ouw en auw en zelfs van ow (cowboy) en ao (cacao).

Vrijwel alle methodes pakken dat probleem op dezelfde manier aan. Ze leren de kinderen dat er drie soorten van woorden zijn: hoorwoorden, regelwoorden en onthoudwoorden. Als een kind weet in welke categorie een woord thuishoort, weet het welke strategie het moet toepassen om het woord goed te spellen: ik schrijf wat ik hoor, ik pas een regel toe, ik haal het op uit mijn geheugen. Het probleem is: er is geen enkele manier om uit te vissen datbont een hoorwoord is en hond een regelwoord, behalve kijken hoe je die woorden spelt. Voor de kinderen zijn de drie categorieën geen hulp, maar een vicieuze cirkel. Daarbij komt nog dat de regels die kinderen leren om de didactisch interessantste categorie van de regelwoorden aan te pakken, simpelweg niet kloppen. We moeten het dus anders aanpakken.

Met de Alfabetcode leren kinderen alle afwijkingen van de basiscode correct schrijven door
codeerpatronen in te oefenen. Dus niet door regels te leren en ook niet door woordbeelden in te prenten.Codeerpatronen zijn gelijkaardige lettercombinaties in vergelijkbare omgevingen.

De medeklinkerverdubbeling bijvoorbeeld pakken we klank per klank aan, de frequentste eerst. En: schrijvend, consequent van klank naar teken. De klank /k/ schrijf je soms als kk. Wanneer doe je dat? Telkens als je akke, ekke, ikke, okke, ukke hoort. (De streepjes geven aan waar de klemtoon ligt.) Als kk ingeoefend is (schrijvend met de hand!), komt de op één na vaakst verdubbelde: de klank /t/. Die schrijf je als als tt als je  atte, ette, itte, otte, utte hoort. En zo werken we het hele rijtje af. Halfweg dat rijtje is medeklinkerverdubbeling voor de meeste kinderen een voorspelbare aangelegenheid, iets helemaal anders dus dan een probleem waar ze maar tegenaan blijven lopen.

Alles wat kinderen op de basisschool over spelling zouden moeten leren, valt aan te leren met zulke codeerpatronen. De hele lijst met die patronen vindt u in Dwaalspoor dyslexie.

WordPress Appliance - Powered by TurnKey Linux