Leer elk kind lezen

Labels en wetenschap



Van een dyslexielabel word je geen betere lezer, denk ik. Volgens de dyslexie-experts aan de Vlaamse universiteiten zijn dat praatjes. Wetenschappelijk bewijs willen ze.

Ik zou nu kunnen proberen me op John Hattie te beroepen. In Visible Learning stelt die in algemene termen dat kinderen niet labelen een zegen voor ze is. Of dat ook betekent dat een dyslexielabel voor een moeizaam lezend kind ‘dus’ een ramp is? Hattie vindt van wel. Kijkt u even hier (3 minuten 41), en u hoort het hem zeggen. En ook in dit interview vindt u deze stelling onder het kopje ‘Etiketten’. Dat is allemaal goed en wel, maar het is niet het bewijs dat de experts willen zien.

Hun eis lijkt ingegeven door gezonde scepsis, de basishouding van de onderzoeker. Wetenschappers geloven immers niets, tenzij er bewijs voor is. Welnu, dat zeggen ze wel, en het lijkt ook zo, maar in werkelijkheid is het fictie. Daardoor lijkt de eis van de dyslexie-experten redelijker dan hij is.

Om mijn punt te illustreren schud ik even een stelling uit mijn mouw: ‘Ski-initiatie heeft geen positief effect op handschriftkwaliteit en leesvaardigheid bij zevenjarige kinderen.’ Wat vindt een  wetenschapper nu van die bewering? Zegt hij (A): ‘Met die stelling kan ik niets beginnen, er is namelijk geen studie die ze aantoont.’Of (B): ‘De stelling is strikt genomen niet wetenschappelijk onderzocht, maar je kunt niet álles onderzoeken en ze lijkt me zonder meer aannemelijk.’ Ik gok op B.

Maar als ik de stelling omkeer en zeg dat ski-initiatie wél een positief effect heeft, ziet de wereld er anders uit. In dat geval zal iedereen willen weten waarop ik mijn bewering baseer. Met andere woorden: ook in de onbewezen stellingen is er een zekere ongelijkheid. Sommige van die stellingen zijn ook zonder wetenschappelijk bewijs zonder meer acceptabel, andere liggen minder voor de hand en accepteren we alleen als er bewijs voor is.

Schrijfdans: de boom.

Toch is het oppassen geblazen met wat we zonder bewijs accepteren. Vaak heeft dat minder te maken met wat waarschijnlijk waar is, dan met wat we graag zouden willen. Bijvoorbeeld: dat correcte instructie beter is dan foute, is waarschijnlijk waar.  Het valt inderdaad moeilijk in te zien dat kinderen die slechtere instructie krijgen de dingen beter zouden leren. Geen enkel kind zal het werkwoord faire trefzekerder gaan vervoegen als de leerkracht af en toe op het bord zet dat de de tweede persoon meervoud vous faisez is. Maar hoe zit het met de bewering dat kinderen even goed leren in grote klassen als in kleine? Willen we die graag bewezen zien, omdat ze waarschijnlijk onwaar is, of omdat we liever een paar kinderen minder in onze klas zouden willen hebben? Nog anders is het gesteld met de stelling dat kinderen beter zouden gaan schrijven van ski-initiatie. Die is waarschijnlijk onwaar: als skiën de handschriftkwaliteit ondersteunt, waarom zouden schermen, motorcrossen en salondansen dat dan niet doen? Anderzijds wordt op vele scholen wél aanvaard dat Schrijfdans bijdraagt aan een beter handschrift, hoewel molenwiekend en op muziek een boom tekenen met in elke hand een dik stuk waskrijt niet aantoonbaar meer te maken heeft met het leren maken van gecontroleerde kleine bewegingen met de schrijfvingers dan skiën.

Terug nu naar de stelling waarvoor de Vlaamse dyslexie-experten bewijs wilden zien: van een dyslexielabel word je geen betere lezer. Wat voor type stelling is dat eigenlijk? Een zonder meer aannemelijke, of een een stelling die nodig moet worden bewezen?

Om die vraag te beantwoorden, is het goed voor ogen te houden wat een dyslexielabel is. Als een kind dyslectisch wordt verklaard, worden er twee dingen meegedeeld. Eén: ‘wat je ook doet, je zult nooit een betere lezer worden’. Twee: ‘we ondernemen geen pogingen meer om je beter te leren lezen, want dat is toch moeite voor niets. Wel gaan we je niet op je problemen met letters afrekenen, – leren doen we niet meer, maar dispenseren en compenseren wel’.

De vraag is nu, voor welke van beide stellingen er  bewijs nodig is? Anders gezegd: welke is minder waarschijnlijk? De stelling dat je van zo’n dyslexielabel – dat bovendien de schijn wekt op wetenschappelijk onderzoek gebaseerd te zijn – niet beter gaat lezen, of de stelling dat dat wél het geval is? Is er één voorbeeld te bedenken waarin het staken van alle inspanningen om leerlingen beter te helpen worden er systematisch toe leidt dat de leerlingen beter worden? Kunt u zich dat voorstellen? Dat uw Frans beter wordt omdat uw leerkrachten besloten hebben niets meer te doen om uw Frans  te verbeteren, ‘want dat lukt toch nooit’? (Waarbij ze gemakshalve vergeten – of niet beseffen – dat ze fouten van het type vous faisez hebben gemaakt.)

Tegen die achtergrond ben ik de dyslexie-experts helemaal geen bewijs verschuldigd. Maar zij mij. Hun klacht is onontvankelijk en zij betalen de gerechtskosten.

 

No Comments Yet

Leave a Reply

WordPress Appliance - Powered by TurnKey Linux